Menselijk handelen is doelgericht. Er bestaan talloze doelen, waarvan het ene ondergeschikt is aan het andere, totdat er uiteindelijk één hoogste doel bereikt wordt. Zo is het maken van teugels een doel dat ondergeschikt is aan het doel van de paardrijkunst, dat ondergeschikt is aan het doel van de oorlogsactiviteit, die weer in dienst staat van de vrede. Uiteindelijk houd je een hoogste doel over omwille waarvan je alles doet. Dat einddoel noemt Aristoteles: geluk.
Het goede leven wordt opgevat in termen van geluk. Een bloeiend leven vereist een langdurig vormingsproces van de hele persoon. Geluk is niet een vorm van toeval of mazzel, noch een vorm van genot, rijkdom of welzijn. Het gaat er niet om te slagen op één gebied. Het goede leven betekent dat je de praktijk van het hele leven op excellente wijze uitoefent, zodat je wordt wie je bent. Geluk betekent als mens gelukt zijn.
Een mens is gelukt als hij geworden is, wie hij moet zijn. Dat betekent dat ieder voor zich zal moeten trachten om in de praktijk voortreffelijk te worden en een eigen karakter of houding te verwerven.
Van nature heeft de mens geen vastomlijnd karakter. Hij bezit wel een natuurlijke geschiktheid tot karaktervorming. Een handeling draagt bij aan de vorming van je karakter als er aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: je moet weten wat er aan de hand is, bewust kiezen voor wat je doet en handelen vanuit een innerlijke houding.
(Bron: Aristoteles, Ethica Nicomachea, Nederlandstalige uitgave, Groningen: Historische Uitgeverij, 1999 en aanwijzingen van Joop Dohmen.)
Terug naar Bronnen
|